Redigeren kan je leren

Kill your darlings

 

De volgorde van de verschillende aspecten van redigeren worden niet door alle eindredacteuren op dezelfde manieren toegepast. Velen kijken eerst op macroniveau naar de tekst, en gaan dan pas in op details. Ik niet. Dit omdat het macroniveau betrekking heeft op de gehele tekst, hierover heb je pas overzicht als je hem al eens helemaal gelezen hebt. De micro-dingen, zoals spel- en typfouten, kan je er zo uit halen tijdens de eerste ronde. Dat betekent natuurlijk niet dat je ze tijdens de tweede ronde in de wind moet slaan.

REDACTIERONDE 1

Tijdens redactieronde één let je enkel op de spelling en grammatica. Je leest de tekst zoals een lezer het zou doen. Je denkt niet meteen na over wat er anders moet op inhoudelijk vlak, maar laat wat er gezegd wordt tot je komen. Inhoudelijk geniet je dus gewoon van het verhaal, maar je gaat wel de technische fouten uit de tekst halen. Dit zijn vooral spel- en stijlfouten. Maar ook let je op of de zinnen goed lopen, of ze actief zijn en of metaforen etc. op een juiste manier ingezet worden.

Zijn de zinnen actief?

Dit kan je controleren door te kijken of het onderwerp ook centraal staat in de zin. Worden veel zinnen geopend met tijdsaanduidingen? Worden er veel passieve werkwoorden (zoals hebben, blijven, blijken, lijken, schijnen, worden,...) gebruikt? Dit kan de tekst vertragen. Om de zinnen actiever en bovendien korter te maken, zet je de onderwerpen aan het begin van de zinnen en schrap je passieve werkwoorden. Tijdsaanduidingen en plaatsaanduidingen schuif je liefst naar het einde van de zin, of je maakt er een aparte zin van.

Zijn de zinnen niet te lang?

Dat brengt ons op de volgende vraag. Vaak vinden beginnende taalvirtuozen het leuk om verschillende boodschappen over te brengen in een zin. Ze zetten dan bijzinnen tussen komma’s en naaien zo verschillende boodschappen aan elkaar. Dit kan echter verwarrend werken. Wil je de zinnen duidelijker maken? Haal komma’s weg en maak van een zin twee zinnen, zodat de lezer tussendoor wat ademruimte heeft. Het kan ook helpen om de zinnen hardop uit te spreken, als je over bepaalde woorden struikelt of je in de problemen komt met ademhaling, dan weet je dat er iets verkeerd gaat.

Schrijven is schrappen.

De tweede belangrijke schrijfregel (de eerste kennen jullie intussen wel) is deze: schrijven is schrappen. Haal ALLE overbodige woorden weg. Te beginnen met woorden die eigenlijk geen betekenis hebben, zoals ‘er’ en ‘maar’. ‘Maar’ gebruik je enkel en alleen om een tegenstelling aan te duiden, iets wat het voorgaande tegenspreekt. Verder heeft het helemaal geen functie. ‘Er’ kan meestal gewoon weg. Beide woorden zijn zeker niet aan te duiden aan het begin van een zin, daar moet je actief iets zeggen, anders ben je de lezer kwijt.

Staan er geen typfouten, stijlfouten, spelfouten of dt-fouten in de tekst?

Hiervoor moet je de tekst gewoon aandachtig lezen. Let vooral op dubbele klinkers en ontbrekende over overbodige t’s. Het zijn begrijpelijke fouten, maar er is geen vergeving voor de schrijver die een artikel opstuurt met dt-fouten erin. Dit hoeft waarschijnlijk geen uitleg, maar indien je twijfelt, gebruik je het aloude trucje dat op de basisschool gebruikt wordt: vervang het werkwoord door ‘smurfen’. Let ook op als/dan- en hun/hen-fouten. Daarnaast gaan het bij quotes vaak mis met het gebruik van aanhalingstekens. Ook is het goed op heb gebruik van hoofdletters te letten bij maanden, feestdagen, religies en (eige)namen. Heb je je twijfels? Check dan taaladvies.net.

Kijk hier voor veelvoorkomende stijlfiguren en -fouten.

REDACTIERONDE 2

Redactieronde twee is de macroronde, nu neem je een stap terug en bekijk je de tekst van een afstandje. Je vraagt je af of de tekst duidelijk overkomt en of er een rode draad is. Waar leidt de tekst heen? Is hij vanaf het begin prikkelend genoeg? Is het duidelijk wat er verteld gaat worden?

Structuur

Let vooral op de aanwezigheid van een duidelijke inleiding, een midden en een slot. Zijn deze te onderscheiden en vormen ze een duidelijk samenhangend geheel? Indien dit niet het geval is, is het tijd om te gaan puzzelen. Zoals eerder besproken, wil je in je inleiding beginnen met een mooi beeld of moment waarin je de lezer meetrekt. Het begin moet prikkelen. Daarnaast wil je meteen duidelijk maken waar het verhaal over zal gaan, wat de urgentie is en waarom de lezer het nu moet lezen. De alinea’s wisselen zich af, waarin soms meer zintuiglijk geschreven wordt en dan weer meer praktische informatie gegeven wordt (creëren van draagvlak).

De alinea’s kunnen op zichzelf gelezen worden, maar volgen elkaar wel op in een duidelijke volgorde. Dit gaat verder in het midden en het einde wordt afgebakend door een rond einde, waarin je verwijst naar iets wat in het begin besproken wordt, of een quote of beeld uitgelicht wordt dat veelzeggend is met betrekking tot het verhaal. Maak de alinea’s vooral niet te lang en vergeet geen tussenkopjes te plaatsen.

Taalgebruik

Het is vooral belangrijk dat het taalgebruik consistent is. Je schrijft niet voor jezelf, maar voor de lezer. Houd dus de doelgroep in je hoofd en vraag je af of het taalgebruik past bij de doelgroep. Schrijf je voor een jongere doelgroep, dan kan je meer Engelse woorden gebruiken en kan je slang proberen te incorporeren in het verhaal. Is het een zakelijk magazine, dan gebruik je formele taal. Wees vooral voorzichtig met het gebruik van lange, ingewikkelde woorden. Ook al begrijpt iedereen ze, de lezer is liever lui dan moe, ook de hoogopgeleide lezer.

Als je de lezer aanspreekt, let dan op of je dit met u of jij doet. Het is belangrijk hierin consistent te zijn. Ook is het belangrijk dat cijfers, afkortingen en namen overal op dezelfde manier geschreven worden. Cijfers onder de twintig en ronde getallen worden voluit geschreven. Gebruik aanhalingstekens en hoofdletters overal op dezelfde manier. Woorden in een andere taal worden over het algemeen cursief gedrukt.

Rode draad

Een van de belangrijkste dingen is dat je verhaal een duidelijke rode draad heeft. Wat is de hoofdlijn van het verhaal? Welke boodschap heb je? Wat wil je vertellen? Let op dat je hier niet te veel van afdwaalt. Vooral bij een interview of een reportage is het verleidelijk om ook nog uitgebreid in te gaan op details en je te verliezen in een zijverhaal. Laat deze informatie weg. Nogmaals: schrijven is schrappen. Het is voor de lezer verwarrend als verschillende verhalen door elkaar heen lopen. Net als voor jou. Word je afgeleid door iets anders interessants? Maak er dan desnoods een apart verhaal van.

Kop en introductie

Zoals al besproken tijdens de les over structuur, is het naar mijn mening handig om hiermee te wachten tot het einde. Ook deze mening deel ik niet met veel andere redacteuren. Toch vind ik het logisch, omdat je pas na het lezen en herlezen van je tekst echt goed tot de kern hebt kunnen doordringen. Pas dan kan je je afvragen wat nu eigenlijk de essentie is en hoe je dit kunt uitbeelden met woorden. Kan je dit doen aan de hand van een detail of quote die in de tekst staat? Pas als je precies weet wat er gezegd gaat worden, weet je wat je in de introductie wilt weggeven en wat niet. Ook heb je dan pas een goed idee over welk gedeelte echt opzienbarend is, trek dit deel naar voren en licht het uit in de introductie.

De kop en introductie zijn, net omdat ze zo belangrijk zijn, de zwakste schakel van je stuk. Werk je bij een krant of magazine, dan is de kans groot dat ze de eindredactieronde niet overleven. Een eindredacteur kijkt hier altijd dubbel naar. Hij/zij vraagt zich af of de kop de doelgroep van het specifieke medium aanspreekt en of deze voldoende prikkelt. Hetzelfde gebeurt bij de introductie. Vangt de informatie die gegeven wordt voldoende? Wordt er te veel weggegeven? Dit wordt allemaal nog eens grondig onder de loep genomen. Een andere reden voor het feit dat de kop en de introductie vaak worden aangepast door de eindredactie, is dat de gereserveerde ruimte ervoor vastligt en meestal zeer beperkt is.

Stel jezelf bij de tweede redactieronde dus de volgende vragen:

  1. Zijn de alinea’s niet te lang of te kort? Sluiten ze logisch op elkaar aan maar kunnen ze ook apart gelezen worden?
  2. Is er een duidelijke structuur? Vormen inleiding, midden en slot een samenhangend geheel?
  3. Is het doel van de tekst, de rode draad, vanaf het begin duidelijk en helder?
  4. Zijn de kop en de introductie voldoende prikkelend? Maken ze nieuwsgierig zonder te veel informatie weg te geven?
Over de schrijver
Zoë leeft nu al tien jaar voor en door haar pen. Ze schreef verhalen voor National Geographic, de Volkskrant, Zoom Magazine en het Algemeen Dagblad. Momenteel is ze actief als schrijfdocent voor het LAK (Leids Academisch Kunstencentum) en De Schrijfschool.
Reactie plaatsen